We hebben het in ons vorig artikel gehad over de huidige orde en structuur van het universum maar nu gaan we een stapje terug in de tijd, we gaan terug tot voor de big bang ofwel het moment waarop tijd-ruimte werd gecreëerd zoals wij die nu kennen en wat het enige is dat wij kunnen observeren. Het mystieke is nu de verbinding tussen het zichtbare en het onzichtbare van de existentie echter we hebben toen nog een vraag open gelaten, wat is de planck lengte, het is de kleinste maat die wij kennen. "The term Planck scale refers to quantities of space, time, energy and other units that are similar in magnitude to corresponding Planck units". Het is als het ware de schaal waarop de bouwblokken van het universum zijn opgebouwd maar hoe is deze kleinste bouwsteen opgebouwd die Aristoteles "Primaire materie" noemt? We nemen nog even een stapje verder terug ook in de filosofie, we gaan terug naar de natuurfilosofen en we gaan er geometrie bij halen.
De tetraëder (primaire materie)
Laten we met de laatste beginnen, de driehoek, de driehoek is van alle veelvormen de meest stabiele vorm, een constructeur weet dat omdat alle krachten kunnen worden gereduceerd tot trek en druk krachten in plaats van een momentkracht op een van de hoekpunten, dus als ik iets zou bouwen dan zou ik een compositie van driehoeken maken, die is immers net zo stabiel als de individuele driehoek die de compositie deelt deze eigenschap met de fundamentele bouwblok of eigenlijk moet ik zeggen bouwdriehoek. Daarbij is het eigenlijk helemaal niet relevant welk materiaal er gebruikt wordt, zolang het maar goed in staat is om trek en drukkrachten op te nemen en te vangen. Opmerkelijk feitje hierbij is dat gelijkzijdigheid in geen enkel geval nodig is voor deze eigenschap en dat bepaalde geometrie toelaat dat een zijde wat minder tegen druk bestand is als tegen trek. Het bouwen echter met een driehoek in een driedimensionale ruimte lijkt echter vrij problematisch aangezien die twee dimensionaal is. Beter kiezen we het tetraëder, een driedimensionale vorm samengesteld uit driehoeken. Een piramide is hier een voorbeeld van, het is de meest stabiele vorm in drie dimensies. Het ligt dus voor de hand dat de primaire materie een tetraëder is.
Hoe is een tetraëder opgebouwd?
Maar hoe is een tetraëder opgebouwd? Van oudsher zeggen de natuurfilosofen dat meerdere elementen en eerste beginsels waren zijnde water, lucht, vuur en aarde. Dit zijn natuurlijk metaforen maar we kunnen we kijken of we het wat meer kunnen karakteriseren. Vuur, lucht en water hebben alle drie als eigenschap dat je ze niet kunt grijpen en ook niet in je hand kunt houden. Zand is ook moeilijk te grijpen maar kun je wel in de hand houden, dus is mijn aanname dat de eerste drie constituerend zijn voor aarde. Er is een gedeelde eigenschap, je kunt het moeilijk grijpen maar er is dus ook een verschil. Mijn gevoel zegt dat het net zoals de driehoek, om stabiel te zijn, uit drie hoeken moet bestaan wil het stabiel zijn uit drie elementen bestaan en we zien hier een omvorming van het ontastbare naar het tastbare, het goddelijke en het menselijke, dit proces is voor mij althans deel van het mysterie waar we de vorige keer eindigde, het vormen van materie uit non-materie. Het goddelijke nu is het continue dat zonder vaste vorm aan te nemen geconstitueerd wordt uit lucht, water en vuur, ook dit is mysterie. In onze wereld is alles gedetermineerd, er zijn altijd grenzen. Grenzen aan ons leven, aan ons denken en aan onze gezondheid. Je zou kunnen zeggen het tijdelijke en het eeuwige, de mens en het goddelijke. Dit proces hoeft ook niet noodzakelijkerwijs 1 richtingverkeer te zijn. Plotinus merkte al op dat al het zichtbare uit God is en uiteindelijk naar God terugkeert. God nu ofwel het goede, ofwel de eerste oorsprong zou ik noemen de oorsprong van Lucht, water en vuur ergo het denken, het voelen en het streven. Het lichaam zou ik dan aarde noemen.
Een nieuwe theorie over ruimte tijd
We hebben nu een beetje verkend hoe het menselijke voorkomt uit het Goddelijke en hoe die in zekere zin in een eeuwig dualisme constituerend zijn voor elkaar.
"Zo nam hij dan al het zichtbare ter hand, dat allerminst in rust was, maar wat zich bewoog zonder enige harmonie of orde. Van de ordeloosheid bracht hij het tot orde, omdat hij oordeelde dat orde beter is in elk opzicht dan ordeloosheid" - Plato (Timaeus, 29a)
Het allergrootste mysterie hadden we de vorige keer geconcludeerd is de scheiding tussen het stoffelijke en het onstoffelijke, het menselijke en het goddelijke dat noem ik het niets. Volgens Plato is het universum bolvormig en nu komen we waar we oorspronkelijk mee begonnen, het universum als een bol gevuld met niets en onstoffelijkheid waaruit de bolmens is ontstaan. Deze bol die trilt met de lichtsnelheid en omdat deze trilt met de lichtsnelheid wordt alles wat in God is door de trilling in beweging gezet zoals Aristoteles al concludeerde, God als de eerste onbewogen beweger. De materie nu zal reageren op deze trilling maar doet dat naar zijn aard en het hoogste doel nu is om in harmonie mee te trillen (in fase) met het universum, dat is een vrijwillige keuze die je zelf moet maken om jezelf zo vorm te geven dat dat plaatsvind en dat zijn er vele, net zoveel als er levende wezens zijn. Het grote is bij ons altijd een metafoor voor het kleine en de vorming van planeten en sterren is fundamenteel niet anders dan de vorming van de bolmens echter met een andere aard. Als we ons nu die driedimensionale trillende bol voorstellen waarbij aarde zich vormt tot een bolvormige mens in de onstoffelijk ruimte dan kunnen we ons voorstellen dat ook de mens een kromming van tijd ruimte veroorzaakt net als al het andere naar zijn aard, echter en nu komt mijn cruciale punt dit is een drie dimensionele kromming in ruimte tijd en niet twee dimensionaal zoals Einstein vaak wordt weergegeven, mijn kennis van natuurkunde is te beperkt om te kunnen oordelen over wat Einstein hier zelf van zou vinden of wat hij bedoelde. Voor de oplettende lezer is het misschien opgevallen dat alles in drieën is net als de drie eenheid.
Nu wil ik nog even ingaan op het niets, dat lijkt me wel wat. Het niets is de verbinding die het stoffelijke en het onstoffelijke met elkaar verbind, het grote mysterie van ons vorige artikel. Omdat het niets het raamwerk is voor het contingente van God ofwel zijn existentie begrenst het niets alles, de boeddha zou spreken van Vorm als hij zou spreken over het niets. Het is niets van zichzelf, het geeft onbevooroordeeld weer volgens Plato. En als we dit vertalen naar de middelaar volgens Plotinus dan is er een directe relatie met Christus die als het niets is, dat ook alles is.
Daarbij moet en we nog het volgende opmerken: aangezien de afdruk een bonte aanblik zal bieden en een grote verscheidenheid zal vertonen, zal datgene waarin de afdruk gevormd wordt, daartoe slechts geschikt kunnen zijn op voorwaarde dat het zelf geen van de vormen zelf bezit die het van ergens anders moet ontvangen - Plato (Timeaus, 50d)
Dus resumerend, alles komt voort uit het goede en de orde bestaat uit harmonie met het Goddelijke wat een dualistisch principe is dat voortkomt uit het goede wat voortkomt uit het niets. Ik moet er nog wat verder over nadenken maar dit zijn mijn gedachten op dit moment.
