Het hoogste doel is geluk, deugdzaam leven de weg er naartoe.

Het hoogste doel is geluk en we hebben dit grotendeels in eigen hand.
Het hoogste doel is geluk en we hebben dit grotendeels in eigen hand.

"Alle kunst, elke kunde, ieder onderzoek en evenzo iedere handeling en ieder bewust streven is naar men aanneemt, op een bepaald doel gericht; daarom heeft men wel met recht gezegd dat het goede is waarop alles is gericht" (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 79). 

Deze uitspraak is waarmee Aristoteles zijn Ethica begint. Het doel van zijn Ethica is op op zoek te gaan naar wat dit goede dan wel niet is. We zullen zien dat Aristoteles ons voert langs de deugden, de waarheid, vriendschap en verschillende levenswijzen. Om hem beter te begrijpen zullen we kort zijn ontologie moeten bespreken en enkele zaken moeten definiëren te einde te begrijpen wat het goede dan wel niet is volgens Aristoteles. We gaan kort in op zijn mensbeeld en zijn definitie van de ziel. We zullen zien dat Aristoteles aantoont dat geluk het goede dat is, waar alles op gericht is. Vervolgens zullen we ingaan op de verschillende levenswijzen zien en de visie van hem hierop. Dan gaan we zien hoe we dit geluk kunnen bereiken. Dit voert ons langs moraliteit, de waarheid, vriendschap. Ook behandelen we de waarde van (zelf)liefde volgens Thích Nhất Hạnh. Thích Nhất Hạnh is een boeddhistisch zenleraar die in Europa erg actief is geweest en inmiddels overleden is.

Mensbeeld volgens Aristoteles

Bij Aristoteles is er sprake van primair zijn en secundair zijn. Primair zijn ofwel de eerste substantie is het individuele wezen of ding (Socrates). Primair zijn bestaat bij de gratie van zichzelf, niet afhankelijk van iets anders.

Primair zijn of eerste substantie (dr. A. Lamprakis, 2025) is opgebouwd uit:

  • materie (ὕλη ofwel hylè): onbepaaldheid, potentie, soortelijke bepaaldheid (‘deze mens’)

  • vorm (εἶδος ofwel morphè): bepaling, actualiteit, individualiteit (‘Socrates’), de eigenschappen die de essentie uitmaken van wat iets is

Secundair zijn (dr. A. Lamprakis, 2025) ofwel tweede substantie is de klasse waartoe het primair zijn behoort (mens,dier,levend wezen). De essentie, de wat-heid. Verandering bij Aristoteles is de beweging van potentialiteit (dunamis) naar actualiteit (energeia), van onbepaaldheid naar bepaaldheid. Bijvoorbeeld een eikel die een boom wordt. Hij beschouwde de ziel als de vorm of essentie van levende wezens.

Wat is de ziel volgens Aristoteles

De ziel is bij Aristoteles is in de basis niet iets trancecents zoals bij Plato maar iets dat immanent is, dat onderdeel is van het zijn (ousia). Er bestaan bij Aristoteles drie niveaus van de ziel waarbij een hogere vorm altijd de lagere vormen in zich draagt. Het eerste niveau is de vegetatieve ziel verantwoordelijk voor het streven (orexis) naar groei en voortplanting. Het tweede niveau is de sensitieve ziel verantwoordelijk voor gevoelens en emoties. Het derde niveau is het denkende deel (nous), verantwoordelijk voor de cognitieve functies. Dit niveau geeft inzicht in de universalia en de structuur der dingen. (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 43). Aristoteles lijkt soms te suggereren dat het rationele of denkende deel iets eeuwigs heeft of zelf eeuwig is, maar hier is veel discussie over en Aristoteles geeft hier geen eenduidig antwoord op.

De indeling van de ziel volgens Aristoteles is als volgt:

  • Een deel dat een rationeel beginsel bevat (logon) en verantwoordelijk is voor het denken

  • Een deel zonder een rationeel beginsel (alogon), hetgeen zich niet altijd laat leiden door rationaliteit

    • Een deel dat zich kan laten leiden door het rationeel beginsel

    • Een deel dat niet-rationeel is (vegetatief)

Verschillende levenswijzen

Grofweg zijn er volgens Aristoteles drie verschillende levenswijzen. Geluk gelijkstellen aan genot, de politieke leefwijze en de filosofische leefwijze.

Bij de eerste wordt genot gelijk gesteld aan geluk. Dit noemt hij de meest vulgaire, de levenswijze van de massa. (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 83) Genot is volgend Thích Nhất Hạnh niet en doel op zich maar een volledig ervaren dat aan geluk wordt toegevoegd en het compleet maakt. Thích Nhất Hạnh toont aan dat geluk de ervaring van de ziel/geest is en genot de ervaring van de lichaam. Immers als in de woestijn water tegenkomen worden we gelukkig maar als we het water drinken ervaren we genot, ze zijn complementair en de ervaring is volledig, er kan niks aan toegevoegd worden (Leren over liefde, Thích Nhất Hạnh)

De tweede levenswijze is die van de politieke activiteit. Als het gaat om de politieke activiteit kan men denken aan een leven gericht op eer of deugdelijkheid waarbij hij aanstipt dat men wel deugdelijkheid kan bezitten maar toch slaapt en dus deze deugdelijkheid niet in praktijk brengt en daarmee de grootste ellende veroorzaakt. (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 83)

De derde is die van de filosofische beschouwing. De filosofische beschouwing zo beweert Aristoteles is iets wat we doen om zichzelf in tegenstelling tot genot, rijkdom en eer. Het doel van het onderzoek wordt dan ook het onderzoeken van de filosofische beschouwing (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 83)

Geluk is het hoogste doel

Volgens Aristoteles is geluk het hoogste doel omdat het genoeg is op zichzelf.

"Onder het zichzelf genoeg-zijn verstaan we wat op zichzelf genomen het leven verkieslijk maakt en ervoor zorgt dat er aan niets ontbreekt, Van dien aard is, ons inziens, geluk." (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 87)

We kunnen dit zelf nagaan, immers we volgen een opleiding zodat we werk kunnen vinden zodat we geld kunnen verdienen. Geld verdienen nu zouden we om zichzelf kunnen verkiezen, ons doel wordt dat geld verdienen het einddoel maar we kunnen dat geld ook gebruiken om een gezin te onderhouden wat bijdraagt aan ons geluk. Geld is nu een middel ter wille van geluk geworden maar we kunnen geluk niet op dezelfde manier tot middel maken van iets anders. Daarom is de beginhypothese dat geluk voldoet aan de definitie van het goede en daarmee is geluk het goede aldus Aristoteles.

Geluk is het optimaal functioneren van de ziel

Maar wat is nou eigenlijk geluk? Aristoteles trekt een vergelijk met een citer in zijn ethica. De bespeler is hier de ziel en de citer het lichaam. Het goed bespelen van de citer vergt natuurlijk een goede citer maar ook een goede citerspeler. Het goed kunnen bespelen van de citer vergelijkt hij nu met het optimaal functioneren van de ziel. We kunnen dus het dus als volgt samenvatten dat de mens activiteiten en handelingen verricht in overeenstemming met een rationeel beginsel als leidend principe, ergo het optimaal functioneren van de ziel. Aristoteles stelt dat we eer, genot en intellect en elke vorm van “optimaal functioneren” (arête) weliswaar ook om zichzelf kunnen kiezen ook al zou er verder niks uit voortkomen (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 87) maar we doen dit omdat we veronderstellen hier gelukkig van de worden.

"Want de prijs, dat wil zeggen het doel van optimaal functioneren, is duidelijk het beste wat er is, iets goddelijks en gelukzaligs" (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 92)

Aristoteles geeft aan dat we bij het streven naar geluk moeten streven naar zo stabiel mogelijke activiteiten en hij zegt dat deugdelijk handelen de meeste stabiele activiteit is, immers ook bij tegenspoed kunnen we deugdelijk handelen:

"Geen van de menselijke functies is zo stabiel als de deugdelijke activiteiten; men beschouwd ze zelf als bestendiger dan de wetenschappen." (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 94)

Hij trekt de conclusie dat de mens optimaal functioneert in intellectueel en moreel opzicht als hij het rationele beginsel als leidend neemt. Gelukkig worden door deugdelijk handelen wordt in het Grieks gedefinieerd als eudamonia.

Optimaal functioneren in moreel opzicht

De deugd nu wordt door Aristoteles het juiste midden tussen teveel en te weinig genoemd. Moedig is bijvoorbeeld het juiste midden tussen lafheid en roekeloosheid. Het juiste midden moeten we niet als een wiskundig midden zien maar meer als een "oké zone" en het is over het algemeen makkelijker om door negatie deze zone te bepalen, ofwel wat is niet moedig is (dr. A. Lamprakis, 2025). De deugd van rechtvaardigheid wordt als de hoogste deugd aangemerkt omdat deze zich realiseert met betrekking to de ander. Het is immers zo dat ieder mens streeft naar eigen recht en onderscheidt zich door het willen van het recht voor een ander.

Om te beginnen kunnen we zeggen dat aan de deugd een weloverwogen keuze te grondslag ligt, een onvrijwillige keuze kan nooit deugdelijk zijn. De deugden die hij behandeld zijn onder meer moed, gematigdheid, vrijgevigheid, grootsheid, zachtmoedigheid, vriendelijkheid, waarachtigheid, gevatheid, zelfbeheersing, rechtvaardigheid en redelijkheid. Redelijkheid wordt als superieur gezien ten opzicht van wettelijk. Redelijkheid is toegespitst is op het individu en daarom superieur (Ethica Nicomachea, Damon, pag. 185). Rechtvaardigheid wordt gedefinieerd als dat wat wettig is vermits de wet goed is opgesteld. Per deugd beschrijft hij nauwkeurig wat de uitersten zijn en wat het juiste midden is. Dit nu was de eerste vorm van optimaal functioneren en wel in morele zin.

Optimaal functioneren in intellectueel opzicht

De tweede vorm van is het optimaal functioneren in intellectueel opzicht. Het doel van de intellectuele delen is het streven naar waarheid. Bertrand Russel zegt het ook mooi:

"In moreel opzicht maakt een filosoof, die zijn professionele competentie gebruikt voor iets anders dan een belangeloos zoeken naar de waarheid, zich schuldig aan een vorm van verraad. ... De ware filosoof is bereid alle vooropgezette meningen te onderzoeken." ( De geschiedenis van de westerse filosofie, Servire, pag. 864 )

Vormen van vriendschap

Hoofdstuk acht en negen van de Ethica Nicomachea gaan geheel over vriendschap. Hij ziet de hoogste vorm van vriendschap de vorm waarbij de vrienden in hoge mate de deugdelijkheid delen binnen hun vriendschap. De vriend verheugt zich in het deugdelijk handelen van de ander en zal de ander ook deugdelijk behandelen. Omdat zoals eerder gesteld deugdelijk handelen de meest stabiele bron van geluk is, is dit ook de meest stabiele vorm van vriendschap. Dit in tegenstelling tot een vriendschap die op genot of nut is gebaseerd.

Van egoïsme naar eigenliefde

Thích Nhất Hạnh stelt in deze dat we toch in eerste instantie onszelf liefhebben en dat de mate waarin we dat doen bepalend is voor wat we voor een ander kunnen betekenen (Leren over de liefde, Thích Nhất Hạnh, pag. 24). Liefde voor onszelf voldoet hiermee aan wat Aristoteles hier zegt, immers het is mogelijk om in beperkte mate van anderen afhankelijk te zijn terwijl we onszelf liefhebben. Dit moet niet als iets egoïstisch worden gezien maar meer als een basisvoorwaarde voor een gezond leven.

Streven naar de deugd, de waarheid en vriendschap.

Welnu, we zijn bij het laatste hoofdstuk aangekomen waarin hij beschrijft dat de filosofische beschouwing het perfecte geluk is, ook dit is in overeenstemming met het eerder gestelde. Immers de bij filosofische beschouwing zijn wij het minst van anderen afhankelijk en als we hier geluk aan ontlenen draagt het op een hele stabiele wijze bij aan ons geluk in tegenstelling het najagen van geld, genot en eer die tijdelijk zijn en sterk afhankelijk van anderen en omstandigheden. Dus geluk is het hoogste goed en dit goed wordt bereikt door het beste deel van ons, onze ziel, optimaal te laten functioneren. Dit optimaal functioneren wordt bereikt door het streven naar de deugd, de waarheid, vriendschap en de filosofische beschouwing.