Het dry principe voorkomt dat dezelfde informatie op verschillende plaatsen staat of beheerd wordt, dit zorgt er namelijk voor dat als er op die ene plek wat aangepast wordt dit doorwerkt in alle objecten die deze data gebruiken. Dit maakt het veel efficiënter om informatie te updaten en direct beschikbaar te maken voor alle objecten die deze informatie gebruiken. Laten we nu even het universalia debat van de afgelopen 2500 jaar bekijken.
Plato zegt in een van zijn dialogen dat alle mensen een aangeboren gevoel hebben voor recht en voor eergevoel (Protagoras, 322d). Recht is in deze het basisbeginsel van rechtvaardigheid, rechtvaardigheid ontwikkelen we door oefening en gewoonte en rechtvaardig is dat wat wettelijk is en redelijk. Ik denk dat iedereen het gevoel van onrecht herkend als hem of haar iets wordt aangedaan, je wordt aangetast in je eergevoel, het is een heel basaal gevoel. Maar hoe komt het nu dat iedereen eergevoel heeft en hoe komt het dat we tegelijkertijd allemaal anders reageren op onrecht maar dat er toch een maatschappelijke consensus is over recht in de vorm van wetten. Hoe komt zo'n consensus tot stand? Een consensus kan alleen tot stand komen als er op op hoofdlijnen een overeenkomst is, over details kan er een compromis zijn, wat zou nu zo'n hoofdlijn zijn? Wat is recht? Hoe komt het dat het recht met de tijd en cultuur blijft veranderen en zich aanpassen? Er zit iets universeels maar tegelijkertijd iets veranderlijks in zo lijkt het. Het heeft veel raakvlakken met het veranderlijke van de hegeliaanse dialectiek enerzijds en met de onveranderlijke Platoonse ideeën anderzijds. Het lijkt een voortdurende evolutie tussen het zijnde en het wordende.
Nu moet naar ik meen, eerst het volgende onderscheid worden gemaakt: wat is het altijd-zijnde, dat geen wording bezit en wat is het altijd-wordende dat geen zijn bezit? (Timaeus, 27D)
Dit lijkt erg veel op wat we bij Hegel zien met zijn dialectiek, de vraag is dus hoe wordt het zijnde met het wordende verbonden? Het zijnde dat nooit wordt zijn zou ik volgens Plato het Goede noemen, eeuwig en onveranderlijk. Het Goede nu wordt verbonden met het menselijke door een relatie aan te gaan, een eeuwigdurende relatie, de meest eenvoudige manier om de toegang tot universalia te definiëren . Zoals haarvaten in het lichaam zo zit de existentie van God verweven met de ruimte-tijd van onze realiteit, anderzijds vind deze relatie zijn wortels in het zijnde, het eeuwige. Toen God Mozus beantwoorde zei God ( "ik zal er zijn , zoals ik er ben! Hij zegt: zó zul je tot de zonen Israëls zeggen: Ik-zal-er-zijn heeft mij tot u gezonden!" - Exodus 3:14 ). Het goede is onveranderlijk en eeuwig. Aan Plato wordt vaak gerefereerd als diegene die de ideeën wereld bedacht als zijnde de gedachten van God, eeuwig en onveranderlijk maar als deze onderdeel zijn van het Goede nu, wat is dan het wordende van ditzelfde idee? En hoe zijn die twee met elkaar verbonden? Wat is het eeuwige van Recht en wat is het veranderlijke?
Ik zou het als volgt definiëren, metafysisch gezien, Het Goede brengt voort de Moeder-vader van de deugden (Jahweh) en de Vader-moeder (Èlohîm). De gaan vervolgens op dialectische wijze de deugden tot stand brengen. De deugden nu dan zijn geen statische informatie maar levende goden die als leermeester en rechter optreden bij het handhaven van de deugd waar ze voor verantwoordelijk zijn. Dus de God en Godin van het recht geven aan en nemen van de mens op basis van wie zij zijn geworden waarbij er ook een eeuwigdurende relatie is tussen recht en de mensheid. Deze God en Godin samen noem ik nu het universalia van Recht waar iedereen mee verbonden is maar de mens zelf is ook weer een dialectiek tussen zichzelf en recht waarbij hij rechtspreekt over zichzelf.
"Alles bestaat in relatie tot iets anders, niks bestaat op zichzelf" - Ivar Alink
Hoe hebben we nu toegang tot deze universalia? Nu komen we terug bij waar we zijn begonnen, De god en Godin van recht hebben hun persoonlijke signatuur die zoals gezegd bij iedereen bekend is in het bewustzijn. Het is een verwijzing middels referentie naar de Godin en God van recht. Doordat het een referentie is is er geen duplicatie van informatie en kunnen de Goden mee veranderen zonder dat in de mens de referentie hoeft te worden aangepast, de relatie is eeuwig en onveranderlijk maar de meerdere lagen van dialectiek bepalen uiteindelijk het resultaat van wat wij waarnemen in de realiteit. Je zou kunnen zeggen dat natuurkundig gezien het goddelijke de golf is en als deze instort (the wave function collapse) vormt zich een geüpdatet relatie die een momentane representatie is van deze dialectiek die geüpdatet wordt met de lichtsnelheid, de enige constante in het universum (naast misschien de plancklengte). Alles bestaat als macht en tegenmacht in een voortdurende dialectiek, een principe dat ook de grond vormt van onze rechtsstaat, en daarmee is onze rechtsstaat een afspiegeling van een hogere werkelijkheid. Eigenlijk hebben we nu Occam's razor losgelaten op zijn eigen ideeën en het derde mens probleem van Plato verdwijnt als sneeuw voor de zon. Nu dan het Goddelijke is het eeuwige en onveranderlijke en de eeuwige relatie die het heeft met het menselijke. De mystiek zit hem in de verbinding.
"Wat het zijn is tot het worden, dat is de waarheid tot de geloofwaardigheid" - Plato (Timaeus, 29c)
